Journalist en auteur Nele Reymen beschrijft in haar boek ‘Ik heb ADHD en daar komen ze nu pas mee’ een etentje met vriendinnen. Na enige aarzeling vertelt ze over haar recente ADHD-diagnose, na een onderzoek, gesteld door een psychiater. Ze spreekt met zichzelf af dat ze het zo neutraal mogelijk en zonder emotie vertelt. Als ze dan eindelijk de moed bij elkaar heeft geraapt, reageert een vriendin: ‘ADHD? Ach, kom op! Dat heeft tegenwoordig iedereen!’ De andere vriendinnen kijken ook bedenkelijk.
Nele schrijft:
Ik roep: ‘Jawel!’, en schiet meteen in verdediging. ‘Een psychiater heeft die diagnose gesteld, hè.’ Het woord psychiater moet extra gewicht geven aan mijn woorden. Een psycholoog, die heeft iedereen tegenwoordig. Maar een psychiater, dat klinkt alsof het menes is.
‘Hoe dan? Je bent helemaal niet hyper’, zegt een vriendin.
‘Nee, fysiek niet maar in mijn hoofd wel’. Ik voel hoe mijn hartslag versneld en hoe ik mijn punt ineens niet meer rustig kan maken.
‘Vooral sinds ik kinderen heb. Ik vergeet alles. Ik heb geen geduld. Ik sla bij het minste door.’ Ze lachen.
‘Dan heb ik ook ADHD hoor’, roept er een.
‘Ik ook, alleen noem ik dat een mom-brain’, zegt een andere vriendin.
Ik ben geïrriteerd want zelfs met de weinige kennis die ik nu heb, vind ik het onderschatten van een diagnose ronduit schadelijk. Het zorgt ervoor dat mensen met een diagnose het gevoel krijgen dat ze niet serieus worden genomen. Dat hun ervaringen worden minimaliseerd en dat ze telkens maar weer moeten bewijzen dat ze niet overdrijven.
Alsof je jezelf elke dag moet verdedigen en moet uitleggen dat je uitdagingen echt zijn, terwijl je juist die energie nodig hebt om de dag door te komen. Bovendien kan het er voor zorgen dat mensen minder snel hulp durven vragen, uit angst dat ze niet serieus genomen worden, want wat als anderen denken dat je gewoon mee doet met de hype? Wat als je geen toegang krijgt tot de aanpassingen die je zo hard nodig hebt omdat iedereen denkt dat het allemaal wel meevalt? Het enige wat volgens mij echt helpt, is begrip en erkenning want dat is wat neurodivergente mensen verdienen.
De ruimte om zichzelf te zijn, zonder dat ze steeds het gevoel hebben ze zich moeten verantwoorden. Dat hun uitdagingen en mooie kanten worden gezien voor wat ze zijn. Echt en conplex. Dat is toch ook wat ik verdien. Net als iedereen.’ Lees het bovenstaande eens terug, maar vervang ADHD voor hoogbegaafd. Ik citeer het hier bewust, want het patroon dat zij beschrijft is niet label-specifiek. Het is precies hetzelfde patroon waarmee hoogbegaafde kinderen en volwassenen worden weggewuifd zodra ze om erkenning vragen.
Dat patroon heeft een naam: invalidatie. Het wegwuiven, ontkennen of verkleinen van iemands ervaring door de mensen om je heen (Linehan, 1993, geciteerd in Bontempo et al., 2025). Het klinkt onschuldig, een grapje aan tafel, een geruststelling bedoeld als steun. Psychologisch gezien is het dat niet. Invalidatie leert iemand dat de eigen waarneming van de werkelijkheid niet te vertrouwen is, en dat is precies waar het bij Reymen, en bij talloze anderen misgaat.
Een systematische review van 151 kwalitatieve studies onder ruim 11.000 mensen brengt in kaart wat invalidatie doet: schaamte, vermijding van hulp, jarenlang uitgestelde erkenning (Bontempo, Bontempo & Duberstein, 2025, Psychological Bulletin). De meeste onderliggende studies gaan over aandoeningen als ME/CVS en endometriose, niet over hoogbegaafdheid. Het mechanisme is wel hetzelfde: twijfel aan de legitimiteit van iemands ervaring ondermijnt die ervaring, ongeacht welk label eraan hangt.
Bij ADHD, zoals in het fragment van Reymen, is dit specifieker onderzocht. Publieke twijfel aan de betrouwbaarheid van een diagnose blijkt een van de sterkste voorspellers van stigmatiserende reacties (Mueller et al., 2012, Attention Deficit and Hyperactivity Disorders). ‘Dan heb ik dat ook’ is precies die twijfel, alleen vriendelijk verpakt als herkenning. Het voelt als meeleven, het werkt als ontkenning van wat de ander daadwerkelijk meemaakt, en dat verschil merkt de ontvanger feilloos.
Voor hoogbegaafdheid zelf is dit rechtstreeks getest, niet via een vergelijking. Mensen die een stereotype krantenbeschrijving van hoogbegaafden lazen, ontwikkelden meetbaar negatievere houdingen dan mensen die een op onderzoek gebaseerde beschrijving lazen. Hoe we over hoogbegaafdheid praten, ook op social media, ook aan de eettafel, verandert meetbaar hoe serieus mensen het nemen.
Zweedse ouders van hoogbegaafde kinderen beschrijven jarenlange pogingen om school te overtuigen dat hun kind ondersteuning nodig had, tot uitputting en berusting aan toe. Een moeder van drie hoogbegaafde kinderen had het bij haar derde kind bijna opgegeven om nog met leerkrachten te praten over wat haar kind nodig had. Bagatelliseren blijft dus niet bij een ongemakkelijk etentje. Het bepaalt uiteindelijk wie wel en wie geen hulp krijgt.
Ook coaches en behandelaars maken deze fout. Denk aan checklists die rondgaan: "10 tekenen dat jij hoogbegaafd bent", met kenmerken zo algemeen dat bijna iedereen zich erin herkent. Dat is dezelfde bagatellisering als aan tafel, nu verpakt als expertise. Kennis vermindert stigma, maar alleen als die precies en genuanceerd wordt overgebracht.

